Stadsgezinnen: stedelijkheid en ruimte

De afgelopen twee jaar heb ik mij hard gemaakt voor zogenaamd Stadsgezinnen. Dat zijn gezinnen die er bewust voor kiezen om in de stad te (blijven) wonen. De afgelopen jaren is het aandeel gezinnen binnen de Ring, dus juist in het centrum-stedelijke woonmilieu. De stad biedt aan hen voordelen, zoals het kunnen combineren van taken als werken en zorg voor kinderen, naast natuurlijk het aanbod aan voorzieningen in de stad. De nadelen zijn er natuurlijk ook: huizen zijn duurder, scholen (loting!) en opvang moeilijk te vinden, het is er drukker dan elders. Maar de voordelen wegen op tegen de nadelen. Amsterdam mag blij zijn dat gezinnen kiezen voor de stad!

Ruimte voor stadsgezinnen is belangrijk: ruimte om te wonen, maar ook buitenruimte bij het huis (een balkon, een dakterras, hoeft niet altijd een tuin te zijn), ruimte op straat en in de wijk, zoals een goed onderhouden park, speelruimte en dergelijke.  Die ruimte moet er dan ook wel voor ze zijn. Dat betekent grotere woningen, niet alleen voor de laagste inkomens, maar ook voor middeninkomens. Het betekent aandacht voor de openbare ruimte. En natuurlijk betekent het aandacht voor onderwijs.

De afgelopen tijd heb ik het boek “ Amsterdam op de helling” van Herman de Liagre Bohl gelezen. Dit gaat over de tijd van de grootschalige stadsvernieuwing in de jaren ’70 en ’80. Gezinnen komen daar ook in voor en het opvallende is dat ze wel aandacht krijgen van de volkshuisvesters, maar daarbij voorbijgaan aan de wens van gezinnen om stedelijk te wonen.

De eerste ideeen over stadsvernieuwing zijn grootschalige sloop van wijken als de Jordaan, Pijp, Dapperbuurt en dergelijke, de gordel rond het centrum. In plaats van nauwe straten met kleine huizen moeten er brede doorgangen komen en grote huizen voor kapitaalkrachtige gezinnen. Eind jaren ’70 verschuift het idee en wordt er “gebouwd voor de buurt”. In de nieuwbouw komen dezelfde kleine woningen terug die er waren. Want, zo is de gedachte, gezinnen willen veel ruimte, groen en rust om het huis.

Het voorbeeld dat besproken wordt zijn de Roomtuintjes in de Dapperbuurt, tegen de Zeeburgerdijk aan. Hier zijn de oude huizen gesloopt en vervangen door die grotere woningen met rust en ruimte eromheen. In plaats dat in de bestaande soort bebouwing grotere huizen zijn gecreeerd, hebben de volkshuisvesters bepaald hoe de gezinnen willen wonen. Eigenlijk maken ze een woonmilieu van buiten de stad (Almere, Purmerend, Hoofddorp, etc) in de stad. Maar als een gezin rust, ruimte en groen wil, dan kunnen ze dat beter, en goedkoper en makkelijker, vinden in die regiogemeenten.

Maar gezinnen die kiezen voor de stad, die willen juist de stedelijke elementen: reuring, voorzieningen, stedelijk leven, gecombineerd met ruimte en wat rust voor de deur.

Gelukkig hebben de beleidsmakers nu meer aandacht voor de stadsgezinnen en zien ze wat die nodig hebben. Interessant zou zijn de stadsgezinnen zelf te vragen welke woonplekken zij het best vinden om te wonen.